Graad 11 - Nog Oefeninge.

Berekeninge met moeiliker formules.



1.   Gebruik formule 3 om die wortels van die volgende vergelykinge korrek tot 2 desimale plekke te bepaal (los
      die vergelykings op) :



2.   Gebruik formule 4 en 5 en bereken die waarde van
2.1   A as P = 24 500, r = 12,5% en n = 4 jaar                    2.2   A as P = 123 650, r = 18,5% en n = 60 maande
2.3   A as P = 4 000, r = 22,5% en n = 23 maande             2.4   A as P = 6 500, r = 6,75% en n = 6 maande
2.5   r as A = 28 638,05; P = 18 200 en n = 4 jaar              2.6   r as A = 1 785 361,21; P = 216 300 en n = 10 jaar
2.7   r as A = 67 857,94; P = 57 000 en n = 24 maande     2.8   r as A = 41 839,39; P = 31 300 en n = 33 maande



3.   Gebruik formule 6 en maak dan s, a en u agtereenvolgens die onderwerp van die formule.

4.   Gebruik formules 6 tot 9 om die waarde te bereken van
4.1   v as
4.1.1   u = 10;   a = 5 en s = 130      4.1.2   u = 30;   a = -3 en s = 50       4.1.3   u = 25;   a = -10 en s = 15

4.2   u as
4.2.1   v = 30;   a = 6 en s = 40        4.2.2   v = 35;   a = 10 en s = 50      4.2.3   v = 15;   a = -5 en s = 45

4.3   s as
4.3.1   v = 32;   u = 10 en a = 5        4.3.2   v = 45;   u = 23 en a = 8        4.3.3   v = 20;   u = 10 en a = -6

4.4   a as
4.4.1   v = 32;   u = 10 en a = 5        4.4.2   v = 45;   u = 23 en a = 8        4.4.3   v = 20;   u = 10 en a = -6


5.   Gebruik formule 10 en maak dan u, a en t agtereenvolgens die onderwerp van die formule.

6.   Gebruik formules 10 tot 13 om die waarde te bereken van
6.1   s as
6.1.1   u = 15;   a = 4,5 en t = 9            6.1.2   u = 20;   a = -5 en t = 8             6.1.3   u = 125;   a = -4 en t = 25

6.2   u as
6.2.1   s = 227,5;   a = 3 en t = 7          6.2.2   s = 576;   a = 5 en t = 12          6.2.3   s = 0;   a = 10 en a = 12

6.3   a as
6.3.1   s = 162;   u = 15 en t = 6           6.3.2   s = 1 134;   u = 25 en t = 14     6.3.3   s = -147,5;   u = -5 en t = 5

6.4   t as
6.4.1   s = 1 200;   u = 30 en a = 3       6.4.2   s = 90;   u = 24 en a = -3          6.4.3   s = -232;   u = -5 en a = -6


7.   Gebruik formule 14 en maak dan a en d agtereenvolgens die onderwerp van die formule.

8.   Gebruik formules 10 tot 13 om die waarde te bereken van
8.1   S as
8.1.1   n = 22;   a = 5 en d = 3                              8.1.2   n = 121;   a = 6 en d = 2
8.1.3   n = 53;   a = -28 en d = 4                           8.1.4   n = 36;   a = 14 en d = -6

8.2   a as
8.2.1   S = 2 550;   n = 25 en d = 7                       8.2.2   S = 6 944;   n = 64 en d = 3
8.2.3   S = 657;   n = 18 en d = 5                          8.2.4   S = -2 079;   n = 27 en d = -4

8.3   d as
8.3.1   S = 16 113;   n = 41 en a = 33                   8.3.2   S = 702;   n = 9 en a = -18
8.3.3   S = 104;   n = 16 en a = 44                        8.3.4   S = -416;   n = 8 en a = -24


9.   Gebruik formule 17 en maak dan l en g agtereenvolgens die onderwerp van die formule.

10.   Gebruik formules 17 tot 19 om die waarde te bereken van
10.1   T as
10.1.1   l = 1,3 en g = 9,8                  10.1.2   l = 4,2 en g = 10                  10.1.3   l = 4,2 en g = 10

10.2   l as
10.2.1   T = 1,6 en g = 9,8                10.2.2   T = 3,8 en g = 10                 10.2.3   T = 1 en g = 9,8

10.3   g as
10.3.1   T = 2,288 en l = 1,3             10.3.2   T = 3,8 en l = 3,658             10.3.3   T = 7,5 en l = 14,3

     
  
Na bo Antwoorde Oefeninge - Graad 11 Oefeninge - Graad 10 Oefeninge - Graad 12 Tuisblad